-> U bent hier:   Licht'46  - -  Proef jaren ‘38

1938 VOOROORLOGS LICHTSEINSTELSEL

©2005 Gerard van de Weerd



Voor de oorlog heeft de NS veel gexperimenteerd met lichtseinen. Meestal betrof het 'vertalingen' van armseinen in lichtseinen. Vanwege de betrouwbaarheid van de kleurenwisselaars van General Electric introduceerden de Nederlandsche Spoorwegen in 1938 een lichtseinstelsel, dat wel de voordelen had van de proefserie lichtseinen, maar niet de nadelen. Ook is er nauwkeurig op toegezien, dat de nachtseinbeelden hetzelfde overkwamen als bij die van de armseinen, waardoor het seinregelement gehandhaafd kon blijven. Daarvoor had men experimentele lichtseinen alleen geplaatst als inrijseinen bij enkele stations en als dekkingssein bij enkele bruggen, waar armseinen vanwege de slechte zichtbaarheid geen soulaas boden. Tussen Den Haag en Voorschoten ging men deze lichtseinen toepassen als onderdeel van een elektrisch blokstelsel.






voorsein hoofdsein gecombineerd sein

Hiernaast zien we de uiteindelijke uitvoering, voorzien van kleurenwisselaars. Deze bestonden uit een elektromagneet, die een bril met twee gekleurde glazen bewoog. Elk sein kan zodoende twee kleuren tonen, bij een hoofdsein is dat rood of groen, bij een voorsein een geel of groen licht. Als de bloklengten kort waren, werden hoofdsein en voorsein gecombineerd waarbij de achtergrondschilden op elkaar aansloten. Geplaatst in 1938 waren zij onderdeel van een automatisch blokstelsel tussen Voorschoten en Den Haag CS. Zij maakten deel uit van een automatisch blokstelsel. Normaal vertoonden de seinen groen licht, ook als er geen trein in het blok aanwezig is.
Dit in tegenstelling tot de mechanisch bediende armseinen, waarbij alle seinen in principe op onveilig staan. Pas als de seinhuiswachter van een post met armseinen een weksignaal kreeg dat de trein vanaf het station vertok, dan mocht hij de armseinen op veilig stellen. Op dit traject kwamen 20 seinpalen met 25 lichtseinen, met andere woorden vijf blokken hadden dusdanige korte bloklengten dat die voorzien waren van zo'n combinatiesein.
De seinen van dit stelsel hebben door heel Nederland dienst gedaan, de laatste ronde hoofdseinen en vierkante voorseinen zijn in de loop van de jaren '80 bij de Waalbrug in Nijmegen vervangen door lichtseinstelsel 1955.

De gecombineerde hoofd-voorseinen hebben het veel minder lang uitgehouden en kwamen alleen maar in de regio Den Haag voor. In 1949 werden bij deze gecombineerde hoofd- en voorseinen de voorseinen buiten dienst gesteld en de hoofdseinen als driestandssein met een seinlicht ingericht. In 1956 was dit type beveiliging al weer vervangen door modernere stelsels.







Proefstelsel
Vergelijking armsein/lichtsein

' blok 1 ' ' blok 2 ' ' blok 3 '

normale bloklengten

korte bloklengten



We zien hier een baanvak, waarbij de mechanische hoofd- en voorseinen vervangen zijn door lichtseinen stelsel 1938. Elk lichtsein kan maar twee kleuren weergeven, geel/groen bij de voorseinen, rood/groen bij de hoofdseinen. Als het hoofdsein groen toont, dan geeft het bijbehorende voorsein ook groen.
In elk blok mag zich maar één trein bevinden. Is een blok bezet, dan staat het inrijsein van dat blok op rood. Als het volgende blok vrij is, dan staan de seinen hier op groen. De afstand baken-voorsein en voorsein-hoofdsein bedraagt normaal 150 meter respectievelijk 1000 meter. Bij een bloklengte van 3000 meter zal achter het hoofdsein 1850 meter later pas het baken van het volgende blok komen.

We zien dat de indeling met lichtseinen hetzelfde (nacht)seinbeeld vertoont als bij de armseinen. Ook blijkt dat bij een stoptonend sein met rood licht steeds op remwegafstand een voorsein met geel licht aanwezig is. Wordt de treinfrequentie groter, dan moeten de blokken kleiner gemaakt worden. Hoofdsein van het ene blok en voorsein van het andere blok komen dan dichter bij elkaar te staan. Het ligt dan voor de hand om deze seinen te combineren aan één en dezelfde mast. Een dergelijke situatie is weergegeven in de rechter figuur. De bloklengtes zijn hierbij gelijk aan de remwegafstand, namelijk 1000 meter. Ook hier geldt, als het hoofdsein op onveilig staat (rood licht), dan is het voorsein geel. Staat het hoofdsein op veilig (groen licht), dan brandt het voorsein ook groen.



Er is echter een uitzondering, als het hoofdsein op onveilig staat en het volgende blok is veilig, dan moet het voorsein onder het hoofdsein onveilig aangeven. Met andere woorden, hoofdsein rood en het eronder aangebrachte voorsein op groen, dan kan niet.

Je zou verwachten bij de seinen stelsel '38 dat het hoofdsein een rond bord heeft en de voorseinen een vierkant bord. De zwarte achtergrondschermen heeft men in deze situatie aangepast en het ronde hoofdseinbord loopt als het ware over in het vierkante voorseinbord. Het is duidelijk te zien dat de lichtseinen een zuivere vertaling vormen van de nachtseinbeelden van de armseinen.



Dit lichtvoorsein kan alleen maar geel of groen branden. Het sein staat voor de Waalbrug in Nijmegen en is het voorsein van de onderste hier geplaatste afbeelding. Bij het andere spoor kijken we tegen de achterkant van een armsein, welke het voorsein is van de verderop gelegen blokpost Lent.
Nijmegen, juli 1978. (Gerard van de Weerd)



Het tweekleurige lichtvoorsein. Het verderop gelegen hoofdsein diende als dekkingssein voor een beweegbare brug.
Grouw-Irnsum, augustus 1982 (Gerard van de Weerd)



Aan de andere kant van de Waalbrug ligt het inrijsein van station Nijmegen, gezien vanuit de Arnhemse zijde. Dit relikwie van stelsel 1938 geeft enkel rood licht of groen licht.
Voor dit sein is een oranje licht aangebracht. Als dit sein brandt, dan hoort de machinist op te letten. Want zijn trein wordt dan naar een bezet spoor geleid, bijvoorbeeld om gekoppeld te worden aan een ander treinstel.
Nijmegen, juli 1979 (Gerard van de Weerd)



Hier zien we een gecombineerd lichtsein, ergens in het westen van Nederland.
dia H.G.Hesselink, collectie Gerard van de Weerd