-> U bent hier:   Armsein  - -  Baanvakken  - -  verkeerd spoor rijden

Verkeerd spoor rijden


©2005 Gerard van de Weerd


Geelzwarte seinpalen

Deze geelzwarte seinpalen kwamen slechts voor op dubbelsporige baanvakken en het betreft steeds inrij- of afstandsseinpalen. Bij verkeerd spoor rijden, moeten de treinen die het spoor in de verkeerde richting berijden, hiervoor tot stilstand worden gebracht, ongeacht de stand, voorzover het althans geen niet-bediende of een uitgeschakelde post betreft.
Het is dus zo, dat de machinist van de trein, die het spoor in de verkeerde richting berijdt, moet stoppen ter hoogte van de geelzwarte seinpaal, welke staat naast het niet bereden spoor.
Als op een dubbelsporig baanvak een van de sporen tussen twee stations wegens werkzaamheden niet bereden kan worden, moeten treinen gebruik maken van het vrij gebleven spoor. Deze treinen rijden het spoor in de verkeerde richting, ze rijden "verkeerd spoor". Dit is niet op te vatten als "tijdelijk enkel spoor", daarvoor zijn geen geelzwarte seinpalen nodig.

Voor 1929 was het bij de Nederlandsche Spoorwegen gebruikelijk dat treinen, die op verkeerd spoor reden bij elke afstandsseinpaal moesten stoppen, ongeacht de stand ervan. De achtergrondgedachte hierbij is vanwege de beveiliging. In het verkeerd te berijden spoor zijn de wissels niet vergrendeld of is de beveiliging niet ingericht op dit soort situaties. De trein moet dus volledig tot stilstand worden gebracht om daarna verder geleid te worden onder toepassing van bijzondere veiligheidsmaatregelen.
Het was voor de op verkeerd spoor rijdende machinist niet altijd duidelijk op welke plaats bij het afstandssein de trein tot stilstand gebracht moest worden. Ten opzichte van de hoofdseinpaal die toegang geeft tot een station bestaat geen twijfel. Hoewel zich moeilijkheden kunnen voordoen bij langgerekte stations waar achtereenvolgens hoofdseinpalen zijn opgesteld voor aansluitingen van spoorwegvertakkingen, voor de aansluiting aan fabriekssporen, naar een bundel goederensporen en voor de naar perrons leidende wissels. Ook bleek herhaaldelijk dat machinisten in twijfel verkeerden welke seinpalen nu als afstandsseinpalen beschouwd dienden te worden.
Daarom werd per 1 mei 1929 het regelement van kracht dat geelzwart geschilderde seinpalen tevens dienst deden als afstandsseinpalen voor verkeerd spoor rijdende treinen.

's Nachts viel deze beschildering weliswaar niet op, maar toch vormden zij een waardevolle aanwijzing voor het personeel dat eerst overdag het traject heeft leren kennen in het kader van wegbekendheid. De bijbehorende voorseinen werden ook geelzwart uitgevoerd. Ook ontstonden hierbij de nodige kleurschakeringen.
Niet elke afstandsseinpaal behoeft geelzwart beschilderd te worden. Kijk maar naar de volgende situaties.

      H           Kv           K


Sein H mag bij verkeerd spoor rijden voorbijgereden worden, dit sein is een blokseinpaal en geen afstandssein. Sein K daarentegen is wel een afstandssein en beveiligt de toegang tot de brug.





In het volgende schema zien we een dubbelsporig hoofdspoor met seinpost S. Als het spoortraject niet al te druk is, dan blijven de seinpalen wit-zwart. Het heeft geen enkele zin deze palen in een andere kleur te schilderen, er zijn geen aftakkende wissels en dergelijke in het spel. Bij een lage treinfrequentie wordt de seinpost buiten dienst gesteld, het is onnodig om treinen hier op te houden. Voor speciale situaties op dit baanvak krijgt de machinist een lastgeving uitgereikt, waarop staat hoe hij dient te handelen bij bijzondere situaties op dit traject.



In principe wordt een afstandsseinpaal geplaatst op een zogenaamde 'doorschietafstand' voor het uiterste wissel van het station. Normaal is dit 100 m of 300 m, naar gelang deze seinpaal al of niet wordt voorafgegaan door een voorseinpaal of baak. Omdat het van belang is dat de machinist weet dat hij een geelzwarte seinpaal nadert, wordt ook de voorseinpaal van een geelzwarte beschildering voorzien. Is zo'n geelzwarte voorseinpaal gecombineerd met een zwart-witte blokseinpaal, dan mag de mast niet geelzwart geschilderd worden. Als oplossing heeft men ervoor gekozen om de voorseinarm dan maar geel-rood te schilderen.

 B AD AE




In het schema hiernaast wordt alleen sein C met bijbehorend voorsein geelzwart geschilderd.
Het vertakkingssein geldt voor het enkelsporige traject en blijft dus een wit-zwarte mast houden.



Hieronder zien we dat vanwege verkeerd spoor rijden de seinen A3 en A4
geelzwart uitgevoerd, zwart-wit blijven A1 en A2.
De standen die dit vertakkingsbordessein kan weergeven zijn stop ,
veilig van A3 en veilig van A4 uitgevoerd zijn.




Zwartwitte en zwartgele seinpalen

In het onderstaande schema zijn de seinpalen D1/D2 en B geelzwart, de seinpaal C blijft wit-zwart.
De machinst, rijdende op het enkelsporige baanvak kan geen verkeerd spoor rijden, immers dit traject is geschikt voor tweerichtingsverkeer. Hij moet toch al reageren op elke seinpaal die voor hem geldt. Voor beide afstandsseinen D1/D2 en B dient een machinst wel degelijk te stoppen bij verkeerd spoor rijden.



Roodgele seinpalen

Nog bonter wordt de kleurstelling als een seinpaal geldt voor trein- en rangeerbewegingen. Dit geldt speciaal voor de Staatsspoor-beveiligingen, waarbij de seinpalen niet zwart-wit, maar rood-wit geschilderd zijn. In zo'n situatie ziet men dan rood-gele seinpalen!

Het laatste schema handelt over een station, waarbij een deel van de stationssporen buiten gebruik gesteld is. In deze situatie kan naar keuze het stationsspoor 1 of het stationsspoor 2 buiten dienst gesteld worden. De afstandsseinpaal D is geelzwart uitgevoerd, hoewel de seinpaal voorbij het uiterste wissel 6 staat. Indien voldoende zekerheid bestaat omtrent de juiste ligging van wissel 6 bij het rijden door een trein van Q, behoeft de trein niet door een ander gevaarsein vóór wissel 6 tot stilstand gebracht te worden. Maar in verband met de plaatselijke gesteldheid, het gebruik van een overweg door reizigers, drukke treinenloop en geringe personeelsbezetting, kan het voor de veiligheid toch nodig zijn de trein vóór het overpad op te houden.


Maak een keuze uit stationsspoor 1 of stationsspoor 2



Is spoor 2 buiten dienst, dan kan een geelzwarte afstandsseinpaal voor de treinenloop nut hebben als er een reden voor bestaat om dubbel spoor te rijden tussen P en R en eerst daarna door de wisselverbinding 2-1 terug te zetten naar het verkeerde spoor R-Q, méér dan om verkeerd spoor te rijden over het gehele baanvak P-Q. Tegenwoordig is terugzetten niet meer toegestaan, maar bij de lage treinfrequentie in de jaren '30 was dat geen groot probleem. Overigens is de geelzwarte seinpaal A van belang voor de veiligheid van de reizigers.

De successtory van de geelzwarte seinpalen heeft maar een korte duur gekend. In het seinregelement van 1954 kwamen ze niet meer voor.

blokverdeling  <->  automatisch blokstelsel  <->  verkeerd spoor rijden  <->  baak  <->  aanwijspaal  <->  A-E-Lborden