-> U bent hier:   Armsein  - -  Stationsbeveiliging  - -  afstandsseinen I

Stationsbeveiliging

Vrije baan


©2005 Gerard van de Weerd


Aftakking

We zien hier een aftakking in de vrije baan, waar de afstandsseinen A, B en C geplaatst zijn. Hoe weet een machinist dat hij na het passeren van een baak een afstandsseinpaal van een station of van een aansluiting op de vrije baan zal zien? Vanwege de remweg is het wel degelijk van belang dat hij dit weet, omdat bij de afstandsseinpaal van een station meerdere andere seinpalen (inrijseinen, uitrijseinen en dergelijke) kunnen volgen. Maar nog belangrijker voor de machinist is het om te weten of hij bij het station zal moeten gaan stoppen of doorrijden.

Indien de machinist tijdig geïnformeerd moet zijn dat hij, om welke reden dan ook, moet rekenen op stop bij de volgende seinpaal, dat wordt een dergelijk afstandssein voorzien van een voorseinarm. Het is essentieel om te weten dat op het station "stoppen" wordt verwacht, bij een aansluiting of splitsing is dit in wezen van minder belang.

Stoppen op spoor 3

In onderstaand schema is dit uitgewerkt. De machinist ziet reeds aan de afstandsseinpaal of het een afstandsseinpaal betreft van een aansluiting of een afstandsseinpaal van een station. Ook is duidelijk geworden vanwege de voorseinpaal aan dit sein of de trein mag doorrijden of dat er gerekend moet worden op stop.
In deze situatie gaan we ervan uit dat doorrijden over spoor 3 niet van toepassing is. Op spoor 3 dient dus altijd gestopt te worden. De "veilige" stand van A3 geeft stoppen aan voor het aftakkende spoor 3. Het aftakkende spoor wordt aangegeven door laaggeplaatste seinarmen, het doorgaande hoofdpoor door hooggeplaatste armen.
Maar als men wel over het aftakkende spoor wil doorrijden, dan dienen er nog meer aanpassingen te komen.

[Klik voor vergroting] [Klik voor vergroting]

Het vertakkingsvoorsein. Op de achtergrond het bijbehorende hoofdsein.
Scheemda, 12 augustus 1980

Hier zien we het station vanuit de andere zijde met het uitrijsein en daarachter het inrijvertakkingssein. Deze staat op veilig voor de binnenkomende trein.
Scheemda, 12 augustus 1980.



Doorrijden over spoor 3

Wil men ook aangeven dat een (goederen)trein over spoor 3 kan doorrijden, dat wordt een voorseinarm aan de lage paal gemonteerd. We zien aan de rechterzijde van het schema dat bij het bordessein D1 en D3 de voorseinarmen Bv1 en Bv3 zijn aangebracht.
Deze bordespaal kent drie verschillende seinhoogtes, namelijk de hoogte Bv3, de hoogte D3 en Bv1 en de hoogte D1. De bordespaal wordt hierdoor lang gerekt.

Aan de linkerzijde is een dergelijke uitvoering op een andere manier weergegeven, hier heeft men bij het bordessein A2 en A3 op de bordesmast een gemeenschappelijk voorsein Cv2,3 aangebracht. Meestal werd het voorsein op zijn eigen seinmast geplaatst, in enkele gevallen (zoals hier weergegeven) werd het voorsein op de mast onder het bordes gemonteerd. Bij deze bordespaal is de afstand van het seinbeeld A2-A3 te groot tot het seinbeeld Cv, hetgeen de werking als één seinbeeld niet ten goede komt.

met gemeenschappelijk voorsein     elk vertakkingssein heeft zijn eigen voorsein
       sein A2    Cv2,3    A3 sein D3 Bv3    en    D1 Bv1

Vooral de beveiliging met één gemeenschappelijk voorsein aan de mast (of op eigen mast vlak ervoor) komt de duidelijkheid beslist niet ten goede, met name bij het nachtseinbeeld vanwege de grote afstand tussen de onderlinge seinlichten.
De bordesseinen met allemaal 'eigen' voorseinarmen werden vooral toegepast in de dertiger jaren. Het laatste exemplaar bevond zich in Groningen en deed daar dienst tot ver in de jaren '80 !



  [Klik voor vergroting] [Klik voor vergroting] [Klik voor vergroting]

Eelektrisch bediend voorsein. Op de achtergrond de spoorbrug richting Valkenburg.
Schaesberg augustus 1979

Het vertakkingsinrijsein bij
Voerendaal, augustus 1979

Groningen augustus 1981